Datering van fossielen

Aan het fossiel zelf is alleen een ruwe leeftijd af te lezen. Zo hebben trilobieten (geleedpotigen) geleefd tot het einde van het Perm (250 mjg) en ammonieten (weekdieren - inktvissen) tot het einde van het Krijt (65 mjg). Dus als je zo'n fossiel vindt kun je schatten hoe oud het is.

Voor een nauwkeurige datering bieden fossielen zelf geen informatie. Fossielen zitten in sedimentgesteente (ontstaan door afzetting van los materiaal) en ook daarvan is de leeftijd niet rechtstreeks af te lezen. De meest betrouwbare ouderdomsbepaling biedt stollingsgesteente, zoals vulkaanas. Paleontologen (fossieldeskundigen) zoeken dan ook naar dergelijke lagen boven en onder het fossiel. Zo weet men de minimale en de maximale ouderdom van een fossiel. Want oudere lagen liggen onder jongere lagen.

Maar hoe kun je aan stollingsgesteente de leeftijd aflezen? Door radiometrisch onderzoek. De mineralen die gesteenten vormen bestaan uit diverse chemische elementen. Van veel elementen bestaan instabiele (radioactieve) varianten, isotopen geheten. Instabiele isotopen 'vervallen' tot een ander chemisch element (waarbij ze straling uitzenden). Dit proces is onverstoorbaar en leidt tot een afname van de hoeveelheid van het instabiele isotoop en een toename van de producten die daarbij ontstaan. Deze stoffen zijn te meten, waarna de verhouding bekend is. Doordat van de isotopen bekend is hoeveel tijd er moet verstrijken om de hoeveelheid te laten halveren (halfwaardetijd), beschikken onderzoekers over meerdere geologische 'klokken'. Voor elke tijdschaal zijn er van die klokken. Zo maakt het verval van uranium-238 tot lood-206 het mogelijk gesteenten van miljarden jaren oud te dateren.


Meer / Laatste gemeenschappelijke voorouders

In voorbereiding.